|
De Selectie
De basis van het selecteren ligt bij ons bij de jonge duiven. Omdat in onze vereniging/kring en regio sterk gespeeld wordt ligt de lat voor wat betreft het uitselecteren erg hoog. Om te mogen blijven moet minimaal over de beschikbare wedvluchten 50% prijsgevlogen worden met liefst enkele kopprijzen en dan wel in verenigingsverband. Om de duiven allen een eerlijke kans te geven moeten ze een zwaar trainingsprogramma ondergaan. Wanneer hier doorheen gekomen wordt (gemiddeld valt 10% af), vangen wij met deze groep de wedstrijden aan. 
Het voorbereidingsprogramma ziet er als volgt uit: - De eerste acht weken wennen de duiven aan het hok. - Vanaf de negende week wordt begonnen met het bijbrengen van discipline. Dat wil zeggen, op tijd het hok ingaan om te drinken en eten. - Wanneer dit redelijk verloopt, oefenen we dit ‘s ochtends en ’s avonds - Na dit enkele weken geoefend te hebben wordt de verplichte training ingezet. Deze training kan oplopen tot een uur, zowel ’s ochtend als ’s avonds. - Vanaf 2 maanden worden de jonge duiven elke vrijdagavond in de opleermand geplaatst en zaterdagochtend hier weer uitgelaten (later worden hier opleervluchten aan verbonden). - Wanneer de training ‘om de deur’ goed gaat, wordt gestart met de oefen-/opleervluchten naast de dagelijkse trainingen. Enkele weken voor het wedstrijdseizoen is de voorbereiding opgelopen tot 2 uur per dag trainen met om de dag een oefenvlucht van 30 tot 70 km. Een geplande oefenvlucht wordt altijd uitgevoerd, ook al is het weer slecht, hierbij kan de afstand ingekort. - Vanaf 6 tot 8 weken voor het seizoen wordt elke zaterdagochtend een proefvlucht ingelast om zich te vermengen met overkomende vluchtduiven. 
Tijdens het wedstrijdseizoen wordt op elke vlucht ingekorfd. De jonge duiven moeten nu waarmaken waar ze voor opgeleid zijn. Ze zijn inmiddels in topconditie. Om de motivatie en drang te verhogen wordt een deel van de vluchten op nest of schapje gevlogen en een deel ‘op de deur’. De laatste 10 jaar heeft deze methode als resultaat gehad, dat meer dan de helft van de duiven de norm van 50% gemakkelijk kan halen. De oude duiven die niet meer aan deze norm voldoen, worden vervangen door de betere jonge duiven.Soms wordt nieuw bloed ingebracht om een niet te eentonig soort duiven te krijgen, deze worden dan ingekruist. Mocht het nieuwe bloed niet aanpakken dan wordt hier snel mee afgerekend door de mand. Hetgeen wat wij dus nodig hebben zijn prestatieduiven en geen showduiven. Maar zelden wordt goed gepresteerd met gekregen jongen (uitzonderingen daargelaten). Reden hiervan volgens ons is dat de duiven niet op het hok geaard zijn, dat wil zeggen ze zijn er niet geboren. Opmerkingen: Een veel geopperde kreet, van met name topliefhebbers, is dat het gaat om goede duiven. Hierin zit volgens ons sluikreclame omdat met de resultaten die zij boeken ze aangeven dat zij nu juist de goede duiven bezitten. Elke duif bezit tegenwoordig goede eigenschappen, het gaat erom dat je ze eruit weet te halen.
Als liefhebber heb je meer aan goede adviezen dan aan zogenaamde ‘goede duiven’.
|